| 001:001 | De oudste aan de geliefde Gajus, die ik in waarheid liefheb. |
| 001:002 | Geliefde, ik bid, dat het u in alles wel ga en gij gezond zijt, gelijk het uw ziel wel gaat. |
| 001:003 | Want het heeft mij zeer verblijd, als er broeders kwamen en van uw waarheid een goed getuigenis gaven, zoals gij dan ook in de waarheid wandelt. |
| 001:004 | Groter blijdschap ken ik niet, dan dat ik hoor, dat mijn kinderen in de waarheid wandelen. |
| 001:005 | Geliefde, gij handelt trouw in alles wat gij aan de broeders doet, en dat nog wel aan vreemdelingen, |
| 001:006 | Die in tegenwoordigheid der gemeente getuigd hebben van uw liefde; indien gij hen voorthelpt, gelijk het Gode waardig is, zult gij wel doen; |
| 001:007 | Want zij zijn uitgegaan ter wille van de Naam, zonder iets van de heidenen aan te nemen. |
| 001:008 | Wij behoren dus zulke mannen te ontvangen, opdat wij mogen samenwerken voor de waarheid. |
| 001:009 | Ik heb aan de gemeente een en ander geschreven; maar Diotrefes, die onder hen de eerste tracht te zijn, ontvangt ons niet. |
| 001:010 | Daarom zal ik, als ik kom, herinneren aan zijn werken, die hij doet, daar hij met boze woorden tegen ons zwetst; en hiermede nog niet voldaan, ontvangt hij zelf de broeders niet en weerhoudt ook hen, die het wel willen doen, en hij werpt hen uit de gemeente. |
| 001:011 | Geliefde, volg het kwade niet na, maar het goede. Wie goed doet, is uit God, [maar] wie kwaad doet, heeft God niet gezien. |
| 001:012 | Van Demetrius is een goed getuigenis gegeven door allen en door de waarheid zelf; en ook wij geven een goed getuigenis en gij weet, dat ons getuigenis waar is. |
| 001:013 | Ik had veel aan u te schrijven, doch ik wil u niet schrijven met inkt en pen; |
| 001:014 | Maar ik hoop u spoedig te zien; dan zullen wij van mond tot mond spreken. |
| 001:015 | Vrede zij u! De vrienden groeten u. Groet de vrienden bij name. |