| 001:001 | De oudste aan de uitverkoren vrouw en haar kinderen, die ik in waarheid liefheb, en niet alleen ik maar ook allen, die de waarheid hebben leren kennen, |
| 001:002 | Om der waarheid wil, die in ons blijft en met ons zijn zal tot in eeuwigheid: |
| 001:003 | Genade, barmhartigheid en vrede zal met ons zijn van God, de Vader, en van Jezus Christus, de Zoon des Vaders, in waarheid en liefde. |
| 001:004 | Het heeft mij zeer verblijd, dat ik onder uw kinderen gevonden heb, die in de waarheid wandelen, gelijk wij een gebod van de Vader hebben ontvangen. |
| 001:005 | En nu vraag ik u, vrouwe, niet alsof ik u een nieuw gebod zou schrijven, maar hetgeen wij van den beginne gehad hebben: dat wij elkander liefhebben. |
| 001:006 | En dit is de liefde, dat wij naar zijn geboden wandelen. Dit is het gebod, gelijk gij het van den beginne gehoord hebt, dat gij daarin moet wandelen. |
| 001:007 | Want er zijn vele misleiders uitgegaan in de wereld, die de komst van Jezus Christus in het vlees niet belijden. Dit is de misleider en de antichrist. |
| 001:008 | Let op uzelf, dat gij niet verliest wat wij verricht hebben, maar uw loon ten volle ontvangt. |
| 001:009 | Een ieder, die verder gaat en niet blijft in de leer van Christus, heeft God niet; wie in die leer blijft, deze heeft zowel de Vader als de Zoon. |
| 001:010 | Indien iemand tot u komt en deze leer niet brengt, ontvangt hem niet in uw huis en heet hem niet welkom. |
| 001:011 | Want wie hem welkom heet, heeft deel aan zijn boze werken. |
| 001:012 | Ik heb u veel te schrijven, doch ik wilde dit niet doen met papier en inkt, maar ik hoop tot u te komen en van mond tot mond te spreken, opdat onze blijdschap volkomen zij. |
| 001:013 | U groeten de kinderen van uw uitverkoren zuster. |