Boek: Hebreeen


001 002 003 004 005 006 007 008 009 010 011 012 013
013:001Laat de broederlijke liefde blijven.
013:002Vergeet de herbergzaamheid niet, want daardoor hebben sommigen, zonder het te weten, engelen geherbergd.
013:003Denkt aan de gevangenen, alsof gij met hen gevangen waart; aan hen, die mishandeld worden, als [mensen], die ook zelf een lichaam hebt.
013:004Het huwelijk zij in ere bij allen en het bed onbezoedeld, want hoereerders en echtbrekers zal God oordelen.
013:005Laat uw wijze van doen onbaatzuchtig zijn, weest tevreden met wat gij hebt. Want Hij heeft gezegd: Ik zal u geenszins begeven, Ik zal u geenszins verlaten.
013:006Daarom kunnen wij met vertrouwen zeggen: De Here is mij een helper, ik zal niet vrezen; wat zou een mens mij doen?
013:007Houdt uw voorgangers in gedachtenis, die het woord Gods tot u hebben gesproken; let op het einde van hun wandel en volgt hun geloof na.
013:008Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en tot in eeuwigheid.
013:009Laat u niet medeslepen door allerlei vreemde leringen; want het is goed, dat het hart zijn vastheid vindt in genade en niet in spijzen: wie het hierin zochten, hebben er geen baat bij gevonden.
013:010Wij hebben een altaar, waarvan zij, die de dienst voor de tabernakel verrichten, niet mogen eten.
013:011Want van de dieren, waarvan het bloed als zondoffer door de hogepriester in het heiligdom werd gebracht, werd het lichaam buiten de legerplaats verbrand.
013:012Daarom heeft ook Jezus, ten einde zijn volk door zijn eigen bloed te heiligen, buiten de poort geleden.
013:013Laten wij derhalve tot Hem uitgaan buiten de legerplaats en zijn smaad dragen.
013:014Want wij hebben hier geen blijvende stad, maar wij zoeken de toekomstige.
013:015Laten wij dan door Hem Gode voortdurend een lofoffer brengen, namelijk de vrucht onzer lippen, die zijn naam belijden.
013:016En vergeet de weldadigheid en de mededeelzaamheid niet, want in zulke offers heeft God een welgevallen.
013:017Gehoorzaamt uw voorgangers en onderwerpt u [aan] [hen], want zij zijn het, die waken over uw zielen, daar zij rekenschap zullen moeten afleggen. Laten zij het met vreugde kunnen doen en niet al zuchtende, want dat zou u geen nut doen.
013:018Bidt voor ons, want wij vertrouwen, dat wij een goed geweten hebben, daar wij in alle opzichten de rechte weg willen gaan.
013:019Met des te meer nadruk vermaan ik [u] dit te doen, opdat ik u te eerder teruggegeven moge worden.
013:020De God nu des vredes, die onze Here Jezus, de grote herder der schapen door het bloed van een eeuwig verbond heeft teruggebracht uit de doden,
013:021Bevestige u in alle goed, om zijn wil te doen, terwijl Hij aan ons doe, wat in zijn ogen welbehagelijk is door Jezus Christus. Hem zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid Amen.
013:022Ik vermaan u, broeders, houdt mij dit woord van vermaning ten goede, want ik schrijf u maar kort.
013:023Weet, dat onze broeder Timoteus in vrijheid gesteld is; als hij spoedig komt, zal ik met hem u bezoeken.
013:024Groet al uw voorgangers en al de heiligen. De broeders uit Italie laten u groeten.

001 002 003 004 005 006 007 008 009 010 011 012 013