Boek: Titus


001 002 003
003:001Herinner hen eraan, dat zij zich aan overheid en gezag onderwerpen, gehoorzaam, tot alle goed werk bereid zijn,
003:002Geen lastertaal uiten, niet twisten, vriendelijk zijn en alle zachtmoedigheid bewijzen aan alle mensen.
003:003Want vroeger waren ook wij verdwaasd, ongehoorzaam, dwalende, verslaafd aan velerlei begeerten en zingenot, levende in boosheid en nijd, hatelijk en elkander hatende.
003:004Maar toen de goedertierenheid en mensenliefde van onze Heiland [en] God verscheen,
003:005Heeft Hij, niet om werken der gerechtigheid, die wij zouden gedaan hebben, doch naar zijn ontferming ons gered door het bad der wedergeboorte en der vernieuwing door de Heilige Geest,
003:006Die Hij rijkelijk over ons heeft uitgestort door Jezus Christus, onze Heiland,
003:007Opdat wij, gerechtvaardigd door zijn genade, erfgenamen zouden worden overeenkomstig de hope des eeuwigen levens.
003:008Dit is een getrouw woord en ik wil, dat gij op dit punt een krachtig getuigenis geeft, opdat zij, die hun vertrouwen op God gebouwd hebben, ervoor zorgen vooraan te staan in goede werken. Die zijn schoon en voor de mensen nuttig;
003:009Maar dwaze vragen, geslachtsregisters, twist, en strijd over de wet moet gij ontwijken, want dat is nutteloos en doelloos.
003:010Een mens, die scheuring maakt, moet gij, na hem een en andermaal terechtgewezen te hebben, afwijzen;
003:011Gij weet immers, dat zo iemand het spoor geheel bijster is, en dat hij zondigt, terwijl hij zichzelf veroordeelt.
003:012Doe uw best, zodra ik Artemas of Tychikus tot u zend, tot mij te komen te Nikopolis, want ik heb besloten daar de winter door te brengen.
003:013Help Zenas, de wetgeleerde, en Apollos met alle ijver voort, opdat hun niets ontbreke.
003:014En laten ook de onzen leren voor te gaan in goede werken, ter voorziening in hetgeen noodzakelijk is, opdat zij niet onvruchtbaar zijn.
003:015Allen, die bij mij zijn, laten u groeten. Groet hen, die ons in het geloof liefhebben. De genade zij met u allen.

001 002 003