Boek: Mattheus


001 002 003 004 005 006 007 008 009 010 011 012 013 014 015 016 017 018 019 020 021 022 023 024 025 026 027 028
022:001En Jezus antwoordde en sprak wederom in gelijkenissen tot hen en zeide:
022:002Het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan een koning, die voor zijn zoon een bruiloft aanrichtte.
022:003En hij zond zijn slaven uit om de ter bruiloft genodigden te roepen, doch zij wilden niet komen.
022:004Wederom zond hij andere slaven uit, met de boodschap: Zegt de genodigden: Zie, ik heb mijn maaltijd bereid, mijn ossen en gemeste beesten zijn geslacht en alles is gereed; komt tot de bruiloft.
022:005Maar zij sloegen er geen acht op en gingen heen, de een naar zijn akker, de ander naar zijn zaken.
022:006De overigen grepen zijn slaven, en zij mishandelden en doodden hen.
022:007En de koning werd toornig, en hij zond zijn legers uit en verdelgde die moordenaars en stak hun stad in brand.
022:008Toen zeide hij tot zijn slaven: De bruiloft is wel gereed, maar de genodigden waren het niet waard.
022:009Gaat daarom naar de kruispunten der wegen en nodigt allen, die gij aantreft tot de bruiloft.
022:010En die slaven gingen naar de wegen en verzamelden allen, die zij aantroffen, zowel slechten als goeden. En de bruiloftszaal werd vol met hen, die aanlagen.
022:011Toen de koning binnentrad om hen, die aanlagen, te overzien, zag hij daar iemand, die geen bruiloftskleed aanhad.
022:012En hij zeide tot hem: Vriend, hoe zijt gij hier gekomen zonder bruiloftskleed? En hij verstomde.
022:013Toen zeide de koning tot de bedienden: Bindt hem aan handen en voeten en werpt hem uit in de buitenste duisternis; daar zal het geween zijn en het tandengeknars.
022:014Want velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren.
022:015Toen gingen de Farizeeen heen en beraadslaagden, hoe zij Hem in een strikvraag konden vangen.
022:016En zij zonden tot Hem hun leerlingen, met de Herodianen, die zeiden: Meester, wij weten, dat Gij waarachtig zijt en de weg Gods in waarheid leert en dat Gij U aan niemand stoort; want Gij ziet de mensen niet naar de ogen.
022:017Zeg ons dan, wat dunkt U? Is het geoorloofd de keizer belasting te betalen of niet?
022:018Doch Jezus doorzag hun valsheid en zeide: Wat verzoekt gij Mij, huichelaars?
022:019Toont Mij het geldstuk voor de belasting. Zij brachten Hem een schelling.
022:020En Hij zeide tot hen: Wiens beeldenaar en opschrift is dit?
022:021Zij zeiden: Van de keizer. Toen zeide Hij tot hen: Geeft dan de keizer wat des keizers is, en Gode wat Gods is.
022:022Toen zij dit hoorden, verwonderden zij zich en zij lieten Hem verder ongemoeid en gingen weg.
022:023Op die dag kwamen enige Sadduceeen tot Hem, die beweren, dat er geen opstanding is, en zij ondervroegen Hem,
022:024En zij zeiden: Meester, Mozes heeft gezegd, indien iemand sterft zonder kinderen, zal zijn broeder diens vrouw trouwen en voor zijn broeder nakomelingschap verwekken.
022:025Nu waren er bij ons zeven broeders. En de eerste huwde en stierf daarop, en daar hij geen nakomelingschap had, liet hij zijn vrouw na aan zijn broeder.
022:026Eveneens de tweede en de derde tot de zevende toe.
022:027Het laatst van allen stierf de vrouw.
022:028Van wie van de zeven zal zij dan in de opstanding de vrouw zijn? Want allen hebben haar tot vrouw gehad.
022:029Jezus antwoordde en zeide tot hen: Gij dwaalt, want gij kent de Schriften niet noch de kracht Gods.
022:030Immers, in de opstanding huwen zij niet en worden zij niet ten huwelijk genomen, maar zij zijn als engelen in de hemel.
022:031Wat nu de opstanding der doden betreft, hebt gij niet gelezen, wat door God tot u gesproken is, toen Hij zeide:
022:032Ik ben de God van Abraham, en de God van Isaak, en de God van Jakob?
022:033Hij is niet een God van doden, maar van levenden. En de scharen, die dat hoorden, stonden versteld over zijn leer.
022:034Toen de Farizeeen gehoord hadden, dat Hij de Sadduceeen tot zwijgen had gebracht, kwamen zij bijeen,
022:035En een van hen, een wetgeleerde, vroeg, om Hem te verzoeken:
022:036Meester, wat is het grote gebod in de wet?
022:037Hij zeide tot hem: Gij zult de Here, uw God, liefhebben met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw verstand.
022:038Dit is het grote en eerste gebod.
022:039Het tweede, daaraan gelijk, is: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf.
022:040Aan deze twee geboden hangt de ganse wet en de profeten.
022:041Toen de Farizeeen bijeen waren, vroeg Jezus hun,
022:042Zeggende: Wat dunkt u van de Christus? Wiens zoon is Hij? Zij zeiden tot Hem: Davids Zoon.
022:043Hij zeide tot hen: Hoe kan David Hem dan door de Geest zijn Here noemen, als hij zegt:
022:044De Here heeft gezegd tot mijn Here: Zet U aan mijn rechterhand, totdat Ik uw vijanden onder uw voeten gelegd heb.
022:045Indien David Hem dus Here noemt, hoe kan Hij dan zijn zoon zijn?
022:046En niemand kon Hem daarop iets antwoorden en evenmin durfde iemand van die dag af Hem meer iets vragen.

001 002 003 004 005 006 007 008 009 010 011 012 013 014 015 016 017 018 019 020 021 022 023 024 025 026 027 028