Boek: Mattheus


001 002 003 004 005 006 007 008 009 010 011 012 013 014 015 016 017 018 019 020 021 022 023 024 025 026 027 028
014:001In die tijd hoorde Herodes, de viervorst, wat van Jezus verteld werd,
014:002En hij zeide tot zijn dienaars: Dat is Johannes de Doper; hij is opgewekt uit de doden en daarom werken die krachten in hem.
014:003Want Herodes had Johannes laten grijpen, geboeid en gevangengezet, ter wille van Herodias, de vrouw van zijn broeder Filippus;
014:004Want Johannes zeide tot hem: Gij moogt haar niet hebben.
014:005En hoewel hij hem wilde ter dood brengen, vreesde hij de schare, omdat zij hem voor een profeet hielden.
014:006Maar op het geboortefeest van Herodes danste de dochter van Herodias in hun midden en zij behaagde Herodes,
014:007Waarom hij haar onder ede toezegde haar te geven, wat zij maar vragen zou.
014:008En zij, opgestookt door haar moeder, zeide: Geef mij hier op een schotel het hoofd van Johannes de Doper.
014:009En de koning werd bedroefd, maar om zijn eden, en om hen die mede aanlagen, beval hij het haar te geven,
014:010En hij liet Johannes in de gevangenis onthoofden.
014:011En zijn hoofd werd op een schotel gebracht en aan het meisje gegeven en zij bracht het aan haar moeder.
014:012En zijn discipelen kwamen en namen zijn lijk weg en begroeven hem; en zij gingen heen en berichtten het aan Jezus.
014:013Toen Jezus dit hoorde, trok Hij Zich vandaar in een schip terug naar een eenzame plaats, alleen. En toen de scharen dit hoorden, volgden zij Hem te voet uit de steden.
014:014En toen Hij uit het schip ging, zag Hij een grote schare, en Hij werd met ontferming over hen bewogen en genas hun zieken.
014:015Bij het vallen van de avond kwamen de discipelen tot Hem en zeiden: De plaats [hier] is eenzaam en de tijd is reeds verstreken; zend dan de scharen weg, dan kunnen zij naar de dorpen gaan om spijzen voor zich te kopen.
014:016Maar Jezus zeide tot hen: Zij behoeven niet weg te gaan, geeft gij hun te eten.
014:017Zij zeiden tot Hem: Wij hebben hier niets dan vijf broden en twee vissen.
014:018Hij zeide: Brengt Mij die hier.
014:019En Hij beval de scharen, dat zij in het gras zouden gaan zitten, nam de vijf broden en de twee vissen, en Hij zag op naar de hemel, sprak de zegen uit, brak de broden en gaf ze aan zijn discipelen en de discipelen gaven ze aan de scharen.
014:020En zij aten allen en werden verzadigd en zij raapten het overschot der brokken op, twaalf manden vol.
014:021Zij, die gegeten hadden, waren ongeveer vijfduizend mannen, vrouwen en kinderen niet medegerekend.
014:022En terstond dwong Hij de discipelen in het schip te gaan en Hem vooruit te varen naar de overkant, totdat Hij de scharen zou hebben weggezonden.
014:023En toen Hij de scharen weggezonden had, ging Hij de berg op om in de eenzaamheid te bidden. Bij het vallen van de avond was Hij daar alleen.
014:024Doch het schip was reeds vele stadien van het land verwijderd, geteisterd door de golven, want de wind was tegen.
014:025In de vierde nachtwake kwam Hij tot hen, gaande over de zee.
014:026Toen de discipelen Hem over de zee zagen gaan, werden zij verbijsterd en zeiden: Het is een spook! En zij schreeuwden van vrees.
014:027Terstond sprak Jezus hen aan en zeide: Houdt moed, Ik ben het, weest niet bevreesd!
014:028Petrus antwoordde Hem en zeide: Here, als Gij het zijt, beveel mij dan tot U te komen over het water.
014:029En Hij zeide: Kom! En Petrus ging uit het schip en liep over het water en ging naar Jezus.
014:030Maar toen hij zag op de wind, werd hij bevreesd en begon te zinken en hij schreeuwde: Here, red mij!
014:031Terstond stak Jezus hem de hand toe en greep hem en zeide tot hem: Kleingelovige, waarom zijt gij gaan twijfelen?
014:032En toen zij in het schip geklommen waren, ging de wind liggen.
014:033Die in het schip waren, vielen voor hem neder en zeiden: Waarlijk, Gij zijt Gods Zoon!
014:034En toen zij overgestoken waren, kwamen zij in Gennesaret aan land.
014:035En zodra de mannen van die plaats Hem herkend hadden, zonden zij bericht in die gehele omgeving, en men bracht tot Hem allen, die ernstig ongesteld waren,
014:036En zij smeekten Hem, dat zij alleen maar de kwast van zijn kleed mochten aanraken. En allen, die Hem aanraakten, werden behouden.

001 002 003 004 005 006 007 008 009 010 011 012 013 014 015 016 017 018 019 020 021 022 023 024 025 026 027 028