Boek: Ezechiel


001 002 003 004 005 006 007 008 009 010 011 012 013 014 015 016 017 018 019 020 021 022 023 024 025 026 027 028 029 030 031 032 033 034 035 036 037 038 039 040 041 042 043 044 045 046 047 048
048:001Dit nu zijn de namen der stammen. Van het noordelijke einde, langs de weg van Chetlon, totdat men komt te Hamat en Chasar-enon, terwijl het gebied van Damascus noordwaarts ligt, ter zijde van Hamat, van de oostzijde tot de zee: Dan een deel;
048:002Naast het gebied van Dan van de oostzijde tot de westzijde: Aser een deel;
048:003Naast het gebied van Aser van de oostzijde tot de westzijde: Naftali een deel;
048:004Naast het gebied van Naftali van de oostzijde tot de westzijde: Manasse een deel;
048:005Naast het gebied van Manasse van de oostzijde tot de westzijde: Efraim een deel;
048:006Naast het gebied van Efraim van de oostzijde tot de westzijde: Ruben een deel;
048:007Naast het gebied van Ruben van de oostzijde tot de westzijde: Juda een deel;
048:008En naast het gebied van Juda, van de oostzijde tot de westzijde, moet de heffing liggen, die gij zult geven: vijfentwintigduizend [el] breed en de lengte als een der delen van de oostzijde tot de westzijde, en het heiligdom zal in het midden daarvan zijn.
048:009De heffing welke gij de Here geven zult, zal vijfentwintigduizend [el] lang en tienduizend [el] breed zijn.
048:010En voor de volgenden zal de heilige heffing zijn; voor de priesters: noordwaarts vijfentwintigduizend [el] en westwaarts een breedte van tienduizend [el]; oostwaarts is de breedte tienduizend [el] en zuidwaarts is de lengte vijfentwintigduizend [el]; en het heiligdom des Heren zal in het midden ervan liggen.
048:011Het geheiligde deel zal zijn voor de priesters, uit de zonen van Sadok, die mijn dienst in acht genomen hebben, die niet afgedwaald zijn, toen de Israelieten afdwaalden, zoals de Levieten afgedwaald zijn;
048:012Voor hen zal het een heffing zijn uit de heffing van het land, een allerheiligst gebied naast dat der Levieten.
048:013De Levieten krijgen, evenwijdig aan het gebied der priesters, een lengte van vijfentwintigduizend [el] en een breedte van tienduizend [el]. De gehele lengte is vijfentwintigduizend [el] en de breedte tienduizend [el];
048:014Zij mogen daarvan niets verkopen noch verruilen; zij mogen het beste deel van het land niet aan anderen overdragen, want het is de Here heilig.
048:015Doch vijfduizend [el], het overschot in de breedte langs de vijfentwintigduizend, dat is niet heilig, maar bestemd voor de stad, tot woonplaats en tot open veld, en de stad zal in het midden daarvan liggen.
048:016Dit zullen haar afmetingen zijn: de noordzijde vierduizend vijfhonderd [el], de zuidzijde vierduizend vijfhonderd, de oostzijde vierduizend vijfhonderd en de westzijde vierduizend vijfhonderd;
048:017En de stad zal een open veld hebben: noordwaarts tweehonderd vijftig [el], zuidwaarts tweehonderd vijftig, oostwaarts tweehonderd vijftig en westwaarts tweehonderd vijftig.
048:018Het overschot in de lengte evenwijdig aan de heilige heffing: tienduizend [el] oostwaarts en tienduizend westwaarts; dat zal evenwijdig zijn aan de heilige heffing, en de opbrengst daarvan zal zijn tot onderhoud van hen die in de stad arbeiden.
048:019Zij die in de stad arbeiden uit alle stammen Israels, zullen dit bewerken.
048:020De gehele heffing zal vijfentwintigduizend bij vijfentwintigduizend [el] zijn; als een vierkant moet gij de heilige heffing bepalen met inbegrip van het bezit der stad.
048:021Het overige echter is voor de vorst: het gebied aan weerszijden van de heilige heffing en het bezit der stad, langs de vijfentwintigduizend [el] van de heffing tot aan de oostgrens, en westwaarts langs de vijfentwintigduizend [el] tot aan de westgrens, evenwijdig aan de stamgebieden, zal voor de vorst zijn. En de heilige heffing en het heiligdom van het huis zullen in het midden daarvan zijn.
048:022Uitgezonderd het bezit der Levieten en het bezit der stad, die liggen tussen wat van de vorst is, zal wat tussen de grens van Juda en die van Benjamin ligt, voor de vorst zijn.
048:023Wat nu de overige stammen betreft, van de oostzijde tot de westzijde: Benjamin een deel;
048:024Naast het gebied van Benjamin, van de oostzijde tot de westzijde: Simeon een deel;
048:025Naast het gebied van Simeon, van de oostzijde tot de westzijde: Issakar een deel;
048:026Naast het gebied van Issakar, van de oostzijde tot de westzijde: Zebulon een deel;
048:027Naast het gebied van Zebulon, van de oostzijde tot de westzijde: Gad een deel;
048:028En naast het gebied van Gad aan de zuidzijde, naar het zuiden toe, loopt de grens van Tamar over het water van Meribat-kades, langs de beek tot de grote zee.
048:029Dit is het land, dat gij ten erfdeel moet verloten onder de stammen Israels en dit zijn hun delen, luidt het woord van de Here Here.
048:030En dit zijn de uitgangen der stad: aan de noordzijde, die vierduizend vijfhonderd [el] lang is,
048:031(De poorten der stad dragen de namen der stammen Israels) drie poorten op het noorden: een Rubenpoort, een Judapoort en een Levipoort;
048:032Aan de oostzijde, die vierduizend vijfhonderd [el] lang is, ook drie poorten: een Jozefpoort, een Benjaminpoort en een Danpoort;
048:033Aan de zuidzijde, die vierduizend vijfhonderd [el] lang is, ook drie poorten: een Simeonpoort, een Issakarpoort en een Zebulonpoort;
048:034En aan de westzijde, die vierduizend vijfhonderd [el] lang is, eveneens drie poorten: een Gadpoort, een Aserpoort en een Naftalipoort.
048:035De omtrek is achttienduizend [el] en de naam der stad zal voortaan zijn: de Here is aldaar.

001 002 003 004 005 006 007 008 009 010 011 012 013 014 015 016 017 018 019 020 021 022 023 024 025 026 027 028 029 030 031 032 033 034 035 036 037 038 039 040 041 042 043 044 045 046 047 048