Boek: Klaagliederen


001 002 003 004 005
005:001Gedenk, Here, wat ons is overkomen; zie toch; aanschouw onze smaad.
005:002Ons erfdeel is vervallen aan vreemden, onze huizen aan vreemdelingen.
005:003Wezen zijn wij geworden, vaderloos, onze moeders werden als weduwen.
005:004Ons water moeten wij drinken voor geld, ons hout gewordt ons tegen betaling.
005:005Wij worden op de nek gezeten door onze vervolgers, wij zwoegen, maar rust gunt men ons niet.
005:006Naar Egypte strekken wij de hand uit, naar Assur, om verzadiging met brood.
005:007Onze vaders hebben gezondigd, zij zijn niet meer, wij dragen hun ongerechtigheden.
005:008Knechten heersen over ons, niemand rukt ons uit hun hand.
005:009Met levensgevaar moeten wij ons brood halen vanwege het zwaard der woestijn.
005:010Onze huid gloeit als een oven door de brand van de honger.
005:011Vrouwen verkrachten zij in Sion, meisjes in de steden van Juda.
005:012Vorsten zijn door hun hand opgehangen, het aangezicht van ouden wordt niet geeerd.
005:013Jongelingen moeten de molensteen dragen en knapen struikelen onder de houtlast.
005:014De ouden zijn weg uit de poort, de jongelingen staken hun snarenspel.
005:015Verdwenen is de blijdschap van ons hart, veranderd in rouw onze reidans.
005:016De kroon van ons hoofd is gevallen, wee ons, dat wij gezondigd hebben!
005:017Hierom is ons hart ziek, hierom zijn onze ogen verduisterd:
005:018Om de berg Sion, die woest ligt, waarop de vossen ronddolen.
005:019Gij, Here, zetelt tot in eeuwigheid, uw troon staat van geslacht tot geslacht.
005:020Waarom zoudt Gij ons voor altoos vergeten, ons verlaten tot in lengte van dagen?
005:021Breng ons, Here, tot U weder, dan zullen wij wederkeren. Vernieuw onze dagen gelijk van ouds!
005:022Of zoudt Gij ons geheel en al verwerpen? Zoudt Gij al te zwaar tegen ons toornen?

001 002 003 004 005