Boek: Hooglied


001 002 003 004 005 006 007 008
008:001Och, waart gij als mijn broeder, aan de borst van mijn moeder gezoogd! Vond ik u dan buiten, ik kuste u en niemand zou mij daarom laken.
008:002Ik zou u leiden, ik zou u brengen naar het huis van mijn moeder, die mij opvoedt; van geurige wijn zou ik u te drinken geven, van de jonge wijn mijner granaatappelen.
008:003Zijn linkerarm is onder mijn hoofd en zijn rechterarm omvangt mij.
008:004Ik bezweer u, dochters van Jeruzalem, waarom wilt gij de liefde opwekken en prikkelen, voordat het haar behaagt?
008:005Wie trekt daar op uit de woestijn, leunend op haar geliefde? Onder de appelboom wekte ik u, daar ontving u uw moeder, daar ontving zij, die u baarde.
008:006Leg mij als een zegel aan uw hart als een zegel aan uw arm. Want sterk als de dood is de liefde onverbiddelijk als het rijk van de doden de hartstocht, haar vlammen zijn vuurvlammen, een vuurgloed des Heren.
008:007Vele wateren kunnen de liefde niet blussen en rivieren spoelen haar niet weg. Al bood iemand alles wat hij bezit voor de liefde, smadelijk zou men hem afwijzen.
008:008Wij hebben een jonge zuster, die nog geen borsten heeft. Wat zullen wij met onze zuster doen ten dage, dat iemand naar haar dingt?
008:009Als zij een muur is, dan bouwen wij daarop een zilveren tinne; maar als zij een deur is, dan sluiten wij haar af met cederen planken.
008:010Ik was een muur en mijn borsten waren als torens. Toen werd ik in zijn ogen als een, die overgave aanbiedt.
008:011Salomo bezat een wijngaard te Baal-hamon. Hij gaf die wijngaard aan bewakers, ieder geeft voor de vrucht daarvan duizend zilverlingen.
008:012Mijn wijngaard, de mijne, ligt voor mij; de duizend laat ik aan u, Salomo, en tweehonderd aan de bewakers van zijn vrucht.
008:013Gij bewoonster der hoven, naar uw stem luisteren de makkers, laat ze mij horen.
008:014Haast u, mijn geliefde, en doe als de gazel of als het hertejong op bergen vol balsemkruid.

001 002 003 004 005 006 007 008