| 031:001 | Woorden van Lemuel, de koning van Massa, waarmee zijn moeder hem vermaande. |
| 031:002 | Wat, mijn zoon, [zal] [ik] [u] [zeggen]? ja wat, zoon van mijn schoot? ja wat, zoon van mijn geloften? |
| 031:003 | Geef uw kracht niet aan de vrouwen, noch uw omgang aan haar die koningen verderven. |
| 031:004 | Het past koningen niet, o Lemuel, het past koningen niet wijn te drinken, noch machthebbers bedwelmende drank te begeren, |
| 031:005 | Opdat hij niet drinke en de inzettingen vergete en het recht van alle verdrukten verkere. |
| 031:006 | Geeft bedwelmende drank aan wie te gronde gaat, en wijn aan wie bitter bedroefd zijn; |
| 031:007 | Opdat hij drinke en zijn armoede vergete, en aan zijn moeite niet meer denke. |
| 031:008 | Doe uw mond open ten bate van de stomme, ten behoeve van het recht van allen die wegkwijnen; |
| 031:009 | Open uw mond, oordeel rechtvaardig, verschaf de verdrukte en nooddruftige recht. |
| 031:010 | Een degelijke huisvrouw, wie zal haar vinden? haar waarde gaat koralen ver te boven. |
| 031:011 | Op haar vertrouwt het hart van haar man, het zal hem aan voordeel niet ontbreken. |
| 031:012 | Zij doet hem goed en geen kwaad, al de dagen van haar leven. |
| 031:013 | Zij is bezig met wol en vlas en werkt met vaardige handen. |
| 031:014 | Zij is als de schepen van de koopman en haalt van verre haar spijs. |
| 031:015 | Zij staat op, als het nog nacht is, zij geeft haar huis het voedsel, haar dienstmaagden haar deel. |
| 031:016 | Zint zij op een akker, dan verwerft zij die, van de verdienste van haar handen plant zij een wijngaard. |
| 031:017 | Zij omgordt haar lendenen met kracht en versterkt haar armen. |
| 031:018 | Zij bemerkt, dat haar koophandel gedijt, des nachts gaat haar lamp niet uit. |
| 031:019 | Zij grijpt met haar handen het spinrokken en haar handen houden de weefspoel. |
| 031:020 | Haar hand breidt zij uit naar de ellendige, haar handen strekt zij uit naar de nooddruftige. |
| 031:021 | Zij vreest de sneeuw niet voor haar gezin, want haar ganse gezin is in scharlaken gekleed. |
| 031:022 | Zij maakt voor zich tapijten; van fijn linnen en rood purper is haar gewaad. |
| 031:023 | Haar man is bekend in de poorten, als hij neerzit te midden van de oudsten des lands. |
| 031:024 | Zij vervaardigt linnen kleding en verkoopt die; aan de koopman levert zij gordels. |
| 031:025 | Kracht en luister is haar gewaad, de komende dag lacht zij toe. |
| 031:026 | Met wijsheid opent zij haar mond, vriendelijke onderwijzing ligt op haar tong. |
| 031:027 | Zij houdt toezicht op de gang van haar huishouding, het brood der traagheid eet zij niet. |
| 031:028 | Haar zonen staan op en prijzen haar gelukkig, ook haar man roemt haar: |
| 031:029 | Vele dochters gedragen zich wakker, maar gij overtreft haar alle! |
| 031:030 | Bedrieglijk is de bevalligheid en ijdel de schoonheid, maar een vrouw die de Here vreest, die is te prijzen. |
| 031:031 | Geeft haar van de vrucht harer handen, dat haar daden haar roemen in de poorten! |