Boek: Spreuken,


001 002 003 004 005 006 007 008 009 010 011 012 013 014 015 016 017 018 019 020 021 022 023 024 025 026 027 028 029 030 031
031:001Woorden van Lemuel, de koning van Massa, waarmee zijn moeder hem vermaande.
031:002Wat, mijn zoon, [zal] [ik] [u] [zeggen]? ja wat, zoon van mijn schoot? ja wat, zoon van mijn geloften?
031:003Geef uw kracht niet aan de vrouwen, noch uw omgang aan haar die koningen verderven.
031:004Het past koningen niet, o Lemuel, het past koningen niet wijn te drinken, noch machthebbers bedwelmende drank te begeren,
031:005Opdat hij niet drinke en de inzettingen vergete en het recht van alle verdrukten verkere.
031:006Geeft bedwelmende drank aan wie te gronde gaat, en wijn aan wie bitter bedroefd zijn;
031:007Opdat hij drinke en zijn armoede vergete, en aan zijn moeite niet meer denke.
031:008Doe uw mond open ten bate van de stomme, ten behoeve van het recht van allen die wegkwijnen;
031:009Open uw mond, oordeel rechtvaardig, verschaf de verdrukte en nooddruftige recht.
031:010Een degelijke huisvrouw, wie zal haar vinden? haar waarde gaat koralen ver te boven.
031:011Op haar vertrouwt het hart van haar man, het zal hem aan voordeel niet ontbreken.
031:012Zij doet hem goed en geen kwaad, al de dagen van haar leven.
031:013Zij is bezig met wol en vlas en werkt met vaardige handen.
031:014Zij is als de schepen van de koopman en haalt van verre haar spijs.
031:015Zij staat op, als het nog nacht is, zij geeft haar huis het voedsel, haar dienstmaagden haar deel.
031:016Zint zij op een akker, dan verwerft zij die, van de verdienste van haar handen plant zij een wijngaard.
031:017Zij omgordt haar lendenen met kracht en versterkt haar armen.
031:018Zij bemerkt, dat haar koophandel gedijt, des nachts gaat haar lamp niet uit.
031:019Zij grijpt met haar handen het spinrokken en haar handen houden de weefspoel.
031:020Haar hand breidt zij uit naar de ellendige, haar handen strekt zij uit naar de nooddruftige.
031:021Zij vreest de sneeuw niet voor haar gezin, want haar ganse gezin is in scharlaken gekleed.
031:022Zij maakt voor zich tapijten; van fijn linnen en rood purper is haar gewaad.
031:023Haar man is bekend in de poorten, als hij neerzit te midden van de oudsten des lands.
031:024Zij vervaardigt linnen kleding en verkoopt die; aan de koopman levert zij gordels.
031:025Kracht en luister is haar gewaad, de komende dag lacht zij toe.
031:026Met wijsheid opent zij haar mond, vriendelijke onderwijzing ligt op haar tong.
031:027Zij houdt toezicht op de gang van haar huishouding, het brood der traagheid eet zij niet.
031:028Haar zonen staan op en prijzen haar gelukkig, ook haar man roemt haar:
031:029Vele dochters gedragen zich wakker, maar gij overtreft haar alle!
031:030Bedrieglijk is de bevalligheid en ijdel de schoonheid, maar een vrouw die de Here vreest, die is te prijzen.
031:031Geeft haar van de vrucht harer handen, dat haar daden haar roemen in de poorten!

001 002 003 004 005 006 007 008 009 010 011 012 013 014 015 016 017 018 019 020 021 022 023 024 025 026 027 028 029 030 031