Boek: 1 Koningen


001 002 003 004 005 006 007 008 009 010 011 012 013 014 015 016 017 018 019 020 021 022
022:001Nadat men drie jaar stilgezeten had, zonder oorlog tussen Aram en Israel,
022:002Gebeurde het in het derde jaar, dat Josafat, de koning van Juda, tot de koning van Israel kwam.
022:003En de koning van Israel zeide tot zijn dienaren: Weet gij wel, dat Ramot in Gilead aan ons behoort? En wij zijn nalatig om het uit de macht van de koning van Aram terug te nemen.
022:004Tot Josafat zeide hij: Gaat gij met mij ten strijde tegen Ramot in Gilead? En Josafat zeide tot de koning van Israel: Ik ben als gij, mijn volk is als uw volk, mijn paarden zijn als uw paarden.
022:005Maar Josafat zeide tot de koning van Israel: Vraag toch eerst het woord des Heren.
022:006Toen riep de koning van Israel de profeten, omtrent vierhonderd man, bijeen en vroeg hun: Zal ik optrekken ten strijde tegen Ramot in Gilead of zal ik het nalaten? Zij antwoordden: Trek op; de Here zal het in de macht des konings geven.
022:007Doch Josafat zeide: Is hier niet nog een profeet des Heren? Laten wij het dan door hem vragen.
022:008De koning van Israel zeide tot Josafat: Er is nog een man door wie wij de Here kunnen raadplegen, maar ik haat hem, omdat hij over mij nooit iets goeds, maar alleen onheil profeteert: Micha, de zoon van Jimla. En Josafat zeide: De koning spreke niet alzo.
022:009Daarop riep de koning van Israel een hoveling, en zeide: Haal dadelijk Micha, de zoon van Jimla.
022:010Nu zaten de koning van Israel en Josafat, de koning van Juda, ieder op zijn troon, gekleed in statiegewaad, op een dorsvloer aan de ingang der poort van Samaria, terwijl al de profeten voor hen profeteerden.
022:011En Sidkia, de zoon van Kenaana, had zich ijzeren horens gemaakt; hij zeide: Zo zegt de Here: hiermee zult gij Aram stoten totdat gij hen verdelgd hebt.
022:012En al de profeten profeteerden evenzo: Trek op naar Ramot in Gilead, en gij zult voorspoed hebben; de Here zal het in de macht des konings geven.
022:013De bode nu, die Micha was gaan roepen, sprak tot hem: Zie, de profeten hebben eenstemmig gunstig voor de koning gesproken; laat dan toch uw woord zijn als het woord van ieder hunner, en spreek gunstig.
022:014Maar Micha zeide: Zo waar de Here leeft, voorzeker, hetgeen de Here tot mij zeggen zal, dat zal ik spreken.
022:015Toen hij bij de koning gekomen was, vroeg de koning hem: Micha, zullen wij tegen Ramot in Gilead ten strijde trekken of zullen wij het nalaten? Hij antwoordde hem: Trek op, en gij zult voorspoed hebben: de Here zal het in de macht des konings geven.
022:016Maar de koning zeide tot hem: Hoe dikwijls moet ik u bezweren, dat gij tot mij slechts de waarheid spreekt in de naam des Heren?
022:017Daarop zeide hij: Ik zag geheel Israel op de bergen verstrooid als schapen, die geen herder hebben, en de Here zeide: dezen hebben geen heer, een ieder kere in vrede naar zijn huis.
022:018Toen sprak de koning van Israel tot Josafat: Heb ik u niet gezegd: hij profeteert over mij niets goeds, maar enkel onheil?
022:019[Micha] zeide: Daarom, hoor het woord des Heren. Ik zag de Here op zijn troon zitten, terwijl het ganse heer des hemels aan zijn rechterhand en aan zijn linkerhand stond.
022:020En de Here zeide: wie zal Achab verleiden, zodat hij optrekt en sneuvelt te Ramot in Gilead? De een zeide dit en de ander dat.
022:021Toen trad er een geest naar voren en stelde zich voor de Here en zeide: ik zal hem verleiden. De Here vroeg hem: waarmede?
022:022Hij antwoordde: ik zal heengaan en een leugengeest worden in de mond van al zijn profeten. Toen zeide Hij: gij moet hem verleiden, en gij zult er ook toe in staat zijn; ga heen en doe het.
022:023Nu dan, zie, de Here heeft een leugengeest gegeven in de mond van al deze profeten van u, en de Here heeft onheil over u besloten.
022:024Toen trad Sidkia, de zoon van Kenaana, toe, sloeg Micha op de kaak en zeide: Hoe zou de Geest des Heren van mij geweken zijn om tot u te spreken?
022:025Maar Micha zeide: Dat zult gij zien op die dag, waarop gij van kamer tot kamer zult gaan om u te verbergen.
022:026Toen zeide de koning van Israel: Neem Micha en breng hem weer weg naar Amon de overste der stad, en naar prins Joas,
022:027En zeg: zo zegt de koning: zet deze in de gevangenis en geeft hem brood en water der verdrukking, totdat ik behouden thuis kom.
022:028Doch Micha zeide: Indien gij inderdaad behouden terugkomt, heeft de Here door mij niet gesproken. Voorts zeide hij: Hoort, gij volken, altemaal.
022:029Daarna trok de koning van Israel op, met Josafat, de koning van Juda, tegen Ramot in Gilead.
022:030Toen zeide de koning van Israel tot Josafat: Ik zal vermomd in de strijd gaan; houd gij echter uw statiegewaad aan. Daarop vermomde de koning van Israel zich en begaf zich in de strijd.
022:031De koning van Aram nu had zijn wagenoversten, van wie hij er tweeendertig had, geboden: Gij zult niet strijden tegen klein of groot, maar alleen tegen de koning van Israel.
022:032Zodra de wagenoversten Josafat zagen, riepen zij: Dat is zeker de koning van Israel; en zij keerden zich tegen hem tot de aanval. Maar Josafat riep luid.
022:033Zodra de wagenoversten zagen, dat hij de koning van Israel niet was, keerden zij zich van hem af.
022:034Een man echter spande de boog zonder bepaald doel en trof de koning van Israel tussen de verbindingsstukken en het pantser. Toen zeide deze tot zijn wagenmenner: Wend de teugel en breng mij uit het leger, want ik ben gewond.
022:035Maar de strijd werd die dag hevig, en de koning bleef rechtop in zijn wagen staan tegenover de Arameeers. Doch des avonds stierf hij en het bloed uit zijn wond vloeide in de wagenbak.
022:036Toen ging er tegen zonsondergang een luide kreet door het leger: Ieder naar zijn stad, ieder naar zijn land.
022:037Zo kwam de koning dood Samaria binnen, en zij begroeven de koning in Samaria.
022:038Toen men de wagen bij de vijver van Samaria afspoelde, lekten de honden zijn bloed, terwijl de hoeren zich wiesen, naar het woord des Heren, dat Hij gesproken had.
022:039Het overige van de geschiedenis van Achab en alles wat hij gedaan heeft, het ivoren huis dat hij gebouwd heeft, en al de steden die hij gebouwd heeft, is dat niet beschreven in het boek van de kronieken der koningen van Israel?
022:040En Achab ging bij zijn vaderen te ruste en zijn zoon Achazja werd koning in zijn plaats.
022:041Josafat nu, de zoon van Asa, werd koning over Juda in het vierde jaar van Achab, de koning van Israel.
022:042Josafat was vijfendertig jaar oud, toen hij koning werd en hij regeerde vijfentwintig jaar te Jeruzalem. Zijn moeder heette Azuba; zij was de dochter van Silchi.
022:043Hij bewandelde geheel en al de weg van zijn vader Asa; hij week daarvan niet af en deed wat recht was in de ogen des Heren.
022:044Alleen verdwenen de hoogten niet; nog steeds slachtte en offerde het volk op de hoogten.
022:045En Josafat hield vrede met de koning van Israel.
022:046Het overige van de geschiedenis van Josafat en zijn dappere daden die hij gedaan heeft, en welke oorlogen hij gevoerd heeft, is dat niet beschreven in het boek van de kronieken der koningen van Juda?
022:047En de rest van de aan ontucht gewijden, die in de dagen van zijn vader Asa overgebleven waren, deed hij weg uit het land.
022:048En er was geen koning in Edom, een stadhouder was er koning.
022:049Josafat bouwde Tarsisschepen om in Ofir goud te gaan halen. Maar men ging niet, want de schepen leden schipbreuk te Esjon-geber.
022:050Toen zeide Achazja, de zoon van Achab, tot Josafat: Laten mijn knechten met uw knechten op de schepen gaan. Maar Josafat wilde niet.
022:051En Josafat ging bij zijn vaderen te ruste en werd begraven bij zijn vaderen in de stad van zijn vader David; zijn zoon Joram werd koning in zijn plaats.
022:052Achazja, de zoon van Achab, werd koning over Israel te Samaria in het zeventiende jaar van Josafat, de koning van Juda, en hij regeerde twee jaar over Israel.
022:053En hij deed wat kwaad is in de ogen des Heren, en wandelde in de weg van zijn vader en in de weg van zijn moeder en in de weg van Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israel deed zondigen.
022:054Hij diende de Baal en boog zich voor hem neer, en krenkte de Here, de God van Israel, geheel zoals zijn vader gedaan had.

001 002 003 004 005 006 007 008 009 010 011 012 013 014 015 016 017 018 019 020 021 022